AOW
Hoogte van de AOW
Voor grote groepen 65-plussers is de AOW-uitkering een belangrijk zo niet het belangrijkste deel van hun inkomen. Daarom is het van belang dat de AOW jaarlijks verhoogd wordt op basis van de koppeling aan het netto minimum loon. Dat biedt een goed uitgangspunt om 65-plussers te laten meedelen in de ontwikkeling van de welvaart.
Onderzoek van het CBS en het SCP laat zien dat de armoede onder 65-plussers afneemt. Steeds meer ouderen ontvangen naast de AOW een aanvullend pensioen. De armoede onder ouderen is hiermee echter niet verdwenen. Bovendien gaat het in veel gevallen om kleine aanvullende pensioenen.
Het NIBUD heeft aangetoond dat ouderen op het sociaal minimum geconfronteerd worden met een toename van de vaste lasten. Het risico dat ouderen in de problematische schulden komen, neemt hierdoor toe.
|
|
Financiering AOW
Het pensioenstelsel in Nederland kent drie pijlers: AOW (basispensioen), aanvullend (collectief) pensioen en individuele regelingen. De AOW wordt gefinancierd uit premies en algemene middelen. De AOW-premie, die werknemers betalen, is gemaximeerd. De toename van het aantal 65-plussers betekent dat het aandeel van de AOW-uitgaven dat gefinancierd wordt uit de algemene middelen toeneemt.
In het debat over de financiering van de AOW wordt een aantal oplossingsrichtingen genoemd. Een verhoging van de arbeidsparticipatie houdt in dat meer mensen AOW-premies gaan betalen. Ook het huidige AOW-fonds speelt een rol in het debat. In feite betreft dit een ‘papieren reservering’.
Daarnaast worden regelmatig zaken als de AOW-uitkering zelf, de inkomensonafhankelijkheid en de AOW-leeftijd van 65 jaar ter discussie gesteld. Bij haar standpuntbepaling over de financiering van de AOW gaat de Unie KBO uit van vier uitgangpunten, te weten houdbaarheid, solidariteit, rechtvaardigheid en transparantie.
|
|
Onvolledige AOW
De AOW is een sociale verzekering en kent een opbouwperiode van 50 jaar. Mensen die niet de gehele periode tussen hun 15e en 65e jaar in Nederland hebben gewoond, hebben te maken met een onvolledige AOW. Het gaat hier om 217.000 personen. Een deel van dit aantal (ongeveer 33.000) heeft ook geen of weinig aanvullend pensioen en moet daarom aanvullende bijstand aanvragen. Het probleem van de toename van de onvolledige AOW heeft vooral betrekking op de toename van (niet westerse) migranten en vluchtelingen die in Nederland verblijven, hoewel een ieder die een tijdlang in het buitenland heeft gewerkt en gewoond ermee kan worden geconfronteerd.
Via de WWB kan de gekorte AOW onder bepaalde voorwaarden (zoals een inkomens- en vermogenstoets) aangevuld worden tot het niveau van de volledige netto AOW. Deze aanvullende bijstand wordt niet automatisch verleend, maar moet tot 1 januari 2010 worden aangevraagd bij de gemeentelijke sociale dienst. Veel ouderen doen dat niet. Vanaf 1 januari 2010 wordt de aanvullende bijstand niet meer uitgevoerd door de gemeentelijke sociale dienst maar door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB wijst ouderen met een onvolledige AOW al enige tijd erop dat zij mogelijk recht hebben op aanvullende bijstand.
Bij maatregelen die een onvolledige AOW-opbouw kunnen helpen beperken, valt te denken aan een wijziging van de opbouwsystematiek, een verruiming van de pensioenvrijstelling, een fiscale ondersteuning van vrijwillige (aanvullende) verzekering en aan de inkoop van ontbrekende jaren. De Unie KBO ziet duidelijke voordelen in een aparte inkomensregeling voor AOW-gerechtigden met een onvolledige AOW.
Een verkorting van de opbouwperiode van 50 naar 40 jaar vermindert het probleem van de onvolledige AOW. Nadeel is dat een groot deel van het geld terecht komt bij personen die niet behoren tot de groep ouderen op en rond het sociale minimum.
|
|